Coaching teamleiders / Gezond

Coachingprogramma

De opzet van het coachingprogramma (2 dagdelen) door interne dan wel externe trainer, bestaat uit drie onderdelen:

  • Teamleiders krijgen in 1 dagdeel coaching in het voeren van gesprekken met medewerkers over een betere leefstijl en gezondheid. Wat werkt wel, wat niet, wat zijn randvoorwaarden. Er wordt geoefend met gesprekstechnieken en het maken van afspraken aan de hand van eigen casuïstiek (confronteren, duidelijk zijn, hard op inhoud/zacht op relatie, benadrukken eigen verantwoordelijkheid voor leefstijl, perspectief geven, maken van concrete afspraken). Daarbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan wat van de werkgever/ leidinggevende en wat van de medewerker verwacht mag worden en wat de grenzen zijn.
  • Vervolgens voeren de teamleiders met alle betreffende medewerkers gesprekken en worden concrete afspraken gemaakt.
  • Daarna volgt een terugkombijeenkomst (eveneens 1 dagdeel). De teamleiders delen de ervaringen die ze bij de gesprekken hebben opgedaan. Wat ging goed, wat niet, wat kan beter en hoe dan? Wat zijn de gekozen oplossingen en de gemaakte afspraken, zijn ze concreet genoeg? Helpt dit de organisatie en de medewerkers verder?

1. Open vragen stellen

Een gesprekstechniek waarbij de teamleider zoveel mogelijk open vragen stelt en uitnodigt tot nadenken en tot (zelf)onderzoek. Het zijn vragen die een gesprek gaande houden.

2. Reflectief luisteren

Bij reflectief luisteren heeft de teamleider niet alleen oor voor de feitelijke informatie die de medewerker geeft, maar ook voor datgene wat hij mogelijk wel bedoelt, maar niet zegt. Een reflectief luisterende reactie is in feite raden wat iemand bedoelt en daar een uitspraak over doen. Zo’n uitspraak zal minder weerstand oproepen dan een vraag. Een reflectief luisterende uitspraak getuigt van meer begrip.

 

Niet luisterende reacties die de voortgang belemmeren of blokkeren: opdrachten geven, sturen of commanderen, waarschuwen, alarmeren of dreigen, adviseren, aanwijzingen geven of oplossingen aandragen, overtuigen door middel van logica, discussie of belering, mensen vertellen wat ze moeten doen, moraliseren, het met iemand oneens zijn, oordelen, bekritiseren of beschuldigen, het met iemand eens zijn, goedkeuren of prijzen, te schande maken, belachelijk maken of etiketteren, interpreteren of analyseren, geruststellen, sympathiseren of troosten, ondervragen of op de proef stellen, terugtrekken, afleiden, grappen maken of van onderwerp veranderen.

3. Bevestigen en ondersteunen

Bevestigingen zijn opmerkingen die erop neerkomen dat de inspanningen die de medewerker pleegt en de sterke kanten die hij heeft, worden opgemerkt en bevestigd. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind het heel erg fijn dat je vandaag naar dit gesprek bent gekomen; dat is een hele stap.’

4. Samenvatten

Samenvatten heeft als doel de medewerker te laten merken dat je goed luistert. Het gesprek wordt gestructureerd, je gaat na of wat je hebt gehoord daadwerkelijk klopt. Met een samenvatting kan een bepaald thema worden afgesloten, zodat een volgend gespreksonderwerp kan worden belicht. Samenvatten helpt eveneens om een veelprater in te kaderen.

5. Verandertaal uitlokken bij de werknemer

De tegenhanger van weerstandsgedrag is verandertaal. Dit is een strategie om ambivalentie op te lossen. Motiverende gesprekvoering roept relatief weinig weerstand op en helpt de werknemer om in verandertaal te spreken. Verandertaal weerspiegelt de beweging naar verandering.

 

Er zijn categorieën:

  • de nadelen van de status quo onderkennen;
  • de voordelen van verandering onderkennen;
  • optimisme over verandering onder woorden brengen;
  • de bedoeling om te veranderen onder woorden brengen.

 

Voorbeelden van verandertaal zijn:

  • De nadelen van de status quo onderkennen: ‘Het probleem lijkt al met al toch wel wat groter te zijn dan ik eerst dacht.’
  • De voordelen van verandering onderkennen: ‘Ik zou dan ten minste wat meer bij mijn gezin kunnen zijn.’
  • Optimisme over verandering onder woorden brengen: ‘Ik rookte al vanaf mijn 12e levensjaar. Toch lukte het mij om daarmee te stoppen.’
  • De bedoeling om te veranderen onder woorden brengen: ‘Er moet nu iets gebeuren. Ik moet wat doen.’
  • Nadelen van de status quo: ‘Wat vindt u vervelend aan de huidige situatie?’
  • Voordelen van verandering: ‘Hoe zou u het graag anders willen zien?’
  • Optimisme over verandering: ‘Welke persoonlijke krachten hebt u die u helpen om te slagen en uw doelen te bereiken?’
  • Bedoeling om te veranderen: ‘Wat vindt u nu van uw drugsgebruik?’